De paus en zijn familie

De paus mag niet meer trouwen

Sinds Paus Gregorius VII het celibaat er door joeg, mocht de paus niet meer trouwen. Dat gebeurde dan ook niet. Daar had de paus, seksueel gezien, geen last van. Nog eeuwen lang hadden de pausen relaties, soms meerdere tegelijk. Vaak in het openbaar en de kinderen die daaruit voorkwamen hadden een prima leven. Minnaressen, huishoudsters – ook van bisschoppen en priesters  –  ach, alles viel onder de mantel der liefde.

Behalve al dan niet verborgen minnaressen, hadden de pausen ook familieleden en daar zorgden ze heel goed voor. Het pausdom was een gewild baantje, de vleespotten van Rome gingen open, voor de paus zelf maar vooral voor zijn familie en vrienden. De paus had leuke baantjes te vergeven, er ontstond zelfs een woord voor deze vriendjespolitiek: nepotisme. Als er een compleet begrip naar jou is terug te leiden, dan heb je het inderdaad wel bont gemaakt.

Nepotisme

Die vriendjespolitiek begon al vroeg in de middeleeuwen en ging door tot paus Pius VI in 1797, minimaal duizend jaar dus.  In de renaissance bereikte het fenomeen zijn hoogtepunt onder Alexander VI (een Borgia) en Julius II (een Rovere). De tomeloze hebzucht van de renaissance pausen wekte vooral in Noord Europa weerzin op. Na de afsplitsing van de protestanten nam het nepotisme af, iets hadden die pausen toch wel geleerd. Maar niet genoeg. Een pauselijke bul uit 1692 bracht het eerste verbod, het duurde nog zeker honderd jaar vóór de paus naar zijn eigen verbod ging leven. Dat waren hardleerse jongens, die pausen. Tegenwoordig is het uitdelen van baantjes aan je neefje nadrukkelijk verboden.

Napoleon

Napoleon maakte hardhandig een eind aan die baantjesjagerij. Pius VI, de paus van dienst tijdens de Franse revolutie, gedroeg zich als een renaissancepaus, zijn neef benoemde hij tot kardinaal, net als een oom en een vriend, die trouwens de volgende paus was. Hij veroordeelde de nieuwe Franse grondwet, want als paus kon hij dat doen. Vond hij. Dat had hij beter niet kunnen doen. Dat pikte Napoleon niet. Bovendien had Nappie geld nodig, zijn soldaten marcheerden echt niet op suikerklontjes en revolutionair elan. Die moesten gevoed worden, er moest wijn op tafel komen en hun bloedjes van kinderen hadden kleren nodig. En zijn oorlogen won Napoleon echt niet met pief, paf, poef. Kanonnen en kogels had hij nodig. Zo’n leger was peperduur en hij had er meerdere. Hij kon de bezittingen van de kerk prima gebruiken. Die bemoeizucht van de paus met zijn binnenlandse aangelegenheden strafte Napoleon af. De paus raakte alle landgoederen rond Chateauneuf du Pape kwijt en dat waren er nogal wat. Bovendien moest de paus zesenveertig miljoen scudi schadeloosstelling betalen. Zelf stierf de paus in de gevangenis. Trouwens de volgende paus kieperde Napoleon ook in het gevang. Misschien had Nappie iets tegen pausen.

Romeinse adel

Er is nog een klein dingetje wat mij dwars zit. Stel je broer is tot paus gekozen – er gebeuren gekkere dingen – dan ben jij automatisch in de Romeinse adelstand tot prins verheven. De bul Urbem Romam uit 1746, die dat regelde,  is nog steeds van kracht. De paus is staatsrechtelijk gezien een gekozen koning en dat maakt zijn broers en zusters tot Romeinse adellijken en het is nog erfelijk ook. Dat is toch echt niet meer van deze tijd.

De hogere adellijke Italiaanse families hebben pausen en kardinalen bij de vleet. Als je niet minsten een paus en een stuk of wat kardinalen of kardinaalneven heb tel je niet mee, dan kom je uit een losersfamilie. Dat waren de Orsini’s zeker niet. Die prinselijke familie had tijdens de middeleeuwen en Renaissance nogal wat invloed. Ze schopten het tot drie pausen en ruim dertig kardinalen. Ze waren geen uitzondering. De Medici’s scoorden ook niet slecht.

Kardinaalneven

Je had het echt in Rome gemaakt als oom Paus je tot kardinaalneef benoemde. Je kuste de ring van Petrus en je kostje was gekocht. Die neven kregen zoveel inkomsten uit hun kerkelijke titel dat ze zich niet hoefden af te vragen welke gebraden pastei er vanavond op tafel zou komen, misschien hadden ze een probleem met de keuze van de wijn.

Weet je hoeveel er van die kardinaalneven er geweest zijn? Ruim tweehonderd! Ja, ze wisten in Rome heel goed de poen binnen de familie te halen.

Ik weet niet waar het woord corruptie vandaan komt maar het zou heel goed uit Rome kunnen komen. Zo’n vijftien tot negentien van die kardinaalneven schopten het tot paus of tegenpaus, tenslotte was dat de beste manier om de rijkdom in de familie houden. O ja en een stuk of drie zijn heilig verklaard.

Dat was niet zo gek als het lijkt want de meeste van die kardinaalneven waren voorbeeldige geestelijken. Anderen namen het minder nauw en waren meer van het materiële, die vonden die inkomsten uit hun bisdom niet genoeg. Die wilden meer, veel meer. Een kardinaalneef kon stinkend rijk worden. Jammer voor zo’n zakkenvuller was de functie ook niet helemaal zonder risico. Vooral tijdens de tijd van de renaissance pausen kon het slecht met zo’n kardinaalneef aflopen. Dat was een leuke periode vol samenzweringen, moord en nog meer van die spannende zaken die het leven verkorten.

Geen risicoloos baantje

Het baantje van kardinaalneef had een klein probleem. De paus was niet onsterfelijk en een pausbaan was niet erfelijk. Je kon de baan van paus kopen, dat wel. Dat kostte een godsvermogen en het lukte ook niet altijd. Een nieuwe paus kon een eind maken aan dat lucratieve bestaan van de kardinaalneef. Dat ondervonden de Carafa’s, ze hadden al tientallen kardinalen en nu ook een paus, Paulus IV. Helaas, hij overleed en zijn opvolger, Pius IV, moest niets van die Carafa’s hebben. Hij arresteerde drie kardinaalneven. Nu stond die ene, Carlo Carafa, al tijdens het leven van zijn oom bekend om zijn wreedheid en losbandigheid. Geruchten over homoseksualiteit leidde al eens tot verbanning door zijn oom. Dus Pius IV had genoeg om hem stevig aan te pakken. Dat deed hij, Carlo en zijn broer verdwenen in de martelkamer, die andere neef hoefde niet, die bofte. Uiteraard raakten ze al hun bezit kwijt. Na negen maanden gevangenschap en marteling kwam er een eind aan het lijden van de twee broers: de beul wurgde ze. Het was een politieke afrekening tussen de Spaanse en de Franse partij in het Vaticaan want Pius IV had niets tegen het instituut kardinaalneef, hij benoemde zelf acht familieleden op die positie.

Dus zonder risico was dat baantje van kardinaalneef niet.

Smeuïge voorbeelden

De eerste keer dat het echt overduidelijk was dat de baan van paus in de familie bleef, was tijdens de tijd van de pornocratie. Paus Benedictus VIII benoemde zijn broer tot kardinaal. Die werd na hem paus Johannes XIX. Die Benedictus zat niet stil en benoemde ook nog een neef tot kardinaal. Die werd na  Johannes de volgende paus uit dezelfde familie. Zijn vader smeet met een berg geld en voilá daar was paus Benedictus IX. Het joch was twaalf, dus nauwelijks uit de luiers maar dat kon allemaal.

De Borgia’s

En dan zijn daar natuurlijk ook weer de Borgia’s, altijd die Borgia’s. Na twee pausen vonden ze het in Rome wat al te gortig worden met die moordpartijen. Alexander VI, de vader van Cesare Borgia, stierf en Pius III, een neef van Pius II – je ziet zo langzamerhand met al die Pauselijke familieleden door de bomen het bos niet meer – was zijn opvolger. Hij nam direct stappen om het pauselijk hof te veranderen. Zes en twintig dagen hield hij het vol. Hij overleed aan een beenzweer maar het kan ook vergiftiging geweest zijn. Die Cesare zag zijn positie in gevaar komen, gif en Borgia’s kom je vaak samen tegen. De nieuwe paus, Julius II, de neef van Sixtus IV, pakte het wat slimmer aan. Voor zijn  verkiezing ging hij langs bij Cesare Borgia. Julius beloofde hem met de hand op het hart dat Cesare zijn positie zou houden. Die Cesare trapte erin en Julius werd paus. Tja, dat had die Cesare toch door moeten hebben, zelf loog en bedroog hij ook als het hem uit kwam. Direct pakte Julius Cesare al zijn kerkelijke bezittingen af en stuurde hem op veldtocht tegen Venetië. Die veldtocht mislukte, Julius gooide Cesare in de gevangenis en verbande hem naar Spanje, ook naar een gevangenis. Dat was het eind van de macht van de Borgia’s in Rome.

Het liep niet goed af met die arme Cesare. Hij ontsnapte en vluchtte naar de koning van Navarra. Die kon wel een ervaren militair gebruiken, ook al was het een ex-kardinaal. In het begin ging dat prima tot Cesare in een hinderlaag liep. Dood plunderden ze zijn lijk en lieten hem naakt achter. Ze waren wel zo netjes om een rode tegel op zijn geslacht te leggen. Tenslotte moest de zedelijkheid beschermd worden.

Ippolito de’ Medici

Ippolito de’ Medici was de kardinaalneef van Paus Clemens. Na diens dood kwam Paulus III, een Farnese. Ik zweer het, je komt elke keer dezelfde familienamen tegen. Paulus had een oogje op de kerkelijke bezittingen van Ippolito, niet voor zichzelf maar voor zijn eigen kardinaalneven. Paulus benoemde er zes, waaronder drie kleinzoons. In zijn jonge jaren als priester leefde hij er namelijk nogal losbandig op los, hij had drie zoons en twee dochters. Binnen een jaar was Ippolito dood, officieel aan de malaria. Officieus was hij vergiftigd. Daarvoor waren twee kandidaten. Die paus Paulus III dus en Alessandro de’ Medici, de neef van Ippolito. Die verwantschap zei helemaal niets, Ippolito was onderweg naar Karel V om zijn neef aan te klagen vanwege grof wanbestuur en tijdens die reis stierf Ippolito. Ik zet mijn kaarten op Alessandro de’ Medici. Overigens heeft die laatste er niet lang plezier van gehad, hij stierf ook door vergiftiging en ook door een neef, Lorenzino de’ Medici.

Julius III

Julius III deed het rustig aan, die stopte na het benoemen van vijf kardinaalneven. Met die eerste benoeming, van Innocenzo, was iets vreemds. Die was geadopteerd door Julius. Niet dat Julius hem kende, nee, die Innocenzo was een bedelaarskind en Julius pikte hem van straat op, benoemde hem tot kardinaal en nam hem mee zijn slaapkamer in. Wat er achter die gesloten deuren gebeurde valt wel te raden. Het was zelfs voor die tijd een grof schandaal. Julius kon het niet schelen, die bleef Innocenzo de hand boven het hoofd houden. Ook na de dood van Julius bleef Innocenzo kardinaal. Hij vermoordde twee mannen, hij bleef kardinaal. Hij werd verbannen, gevangen gezet en hij moest 100.000 scudi betalen. Ik heb geen idee hoeveel dat nu zou zijn. Hij werd weer vrijgelaten. Hij kreeg een beschuldiging van het verkrachten van twee vrouwen aan zijn broek. Opnieuw wachtte hem gevangenschap en verbanning. Toch mocht hij weer terug naar Rome komen. Daar stierf hij. Anoniem, onder een ongemarkeerde plaat, verdween hij in de familiekapel. Dat was onder de derde paus na Julius. Die Innocenzo moet van heel veel mensen leuke dingen geweten hebben om zo met rust gelaten te worden.

Nepotisme is van alle tijden

Ach, dat nepotisme is geen exclusief privilege van de pausen. Welnee, er is met dat nepotisme niets nieuws onder de zon. Zodra iemand de macht heeft in een stelsel waarin wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht door elkaar lopen, krijg je vriendjespolitiek. Zo’n machthebber moet wel heel sterk in zijn schoenen staan om daar ver vandaan te blijven. Ook hier zijn voorbeelden genoeg:

Saddam Hoessein stond erom bekend alleen eigen familie- en clanleden op hoge posities te benoemen. De meeste, inclusief Saddam, zijn niet prettig aan hun eind gekomen.

En dan hebben we Sarkozy, de Franse president. Die dacht ermee weg te komen om zijn zoon te nomineren als directeur voor een belangrijke overheidsinstelling. De berg shit die de zoon, die trouwens geen enkele ervaring had, over zich heen kreeg was zodanig dat hij zich snel terug trok.

De Australische premier van Queensland dacht haar echtgenoot aan een leuk betaald baantje te kunnen helpen.

Donald Trump stelde zijn schoonzoon en zijn dochter aan op hoge posities. Die hadden ook geen ervaring maar tot nu toe komt Trump overal mee weg.